Les 16 Je hebt heel wat aan je hoofd (neus en mond)

Bron: Leefwereld groep 4 Uitgeverij Jacob Dijkstra
-------------

Wat een soorten neuzen zijn er: grote, kleine, brede, smalle, rechte, scheve... Wat heb jij eigenlijk voor een neus?

In je neus zitten kleine haartjes. Daarin blijven stofjes zitten als je door je neus ademt. Net een zeefje. Die stofjes kriebelen soms zo, dat je moet niezen. Als je verkouden bent, zit je neus vol vuil. Dan moet je vaak snuiten. Je neus wordt er rood van! Je hebt ook niet zoveel zin in eten. Want je proeft het toch niet. Met je neus kun je ruiken. Maar niet alles even goed. Azijn ruik je meteen, maar zout helemaal niet. Brandend hout en benzine ruik je ook heel goed. Maar water uit de kraan weer niet. Als je jong bent, ruik je beter dan als je oud bent. Je gaat steeds minder goed ruiken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dingen die heel ver weg zijn, ruiken wij ook niet goed meer. Soms wel, als er ergens een huis in brand staat. Dieren ruiken vaak beter dan mensen.











 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een paar echte 'snuffel' dieren zijn een hond en een vos. Zij kunnen op grote afstand wel iets ruiken. Met je mond doe je heel veel. Je kunt er mee praten, eten, proeven, lachen, huilen, kussen, ademhalen en nog veel meer. Je tong is héél belangrijk. Die helpt je bij het praten. Zonder tong kun je ook niets proeven. Met je tong en je neus proef je en ruik je hoe lekker je eten is. Met het puntje van je tong proef je hoe zoet iets is. Zuur proef je vooral met de zijkant van je tong. En bitter achterop je tong. Zout proef je aan de zijkanten en op het puntje van je tong. Je mond wordt afgesloten door je lippen. Daarachter ligt de mondholte. Rond de mondholte liggen je lippen, je wangen en het verhemelte. In de mondholte vind je je tanden en kiezen, speekselklieren en je tong.