|
Les 26 Grond onder je voeten Bron: Leefwereld groep 4 Uitgeverij Jacob Dijkstra |
||||
|
Grond. Je staat erop. Je loopt erop. Soms lig je erop. Overal onder je is grond. Vaak zie je
de grond niet. In de tuin wel. In de straat niet. Dan zit de grond onder het asfalt of onder
de tegels. In huis zie je de grond ook niet. Huizen, straten, dijken, wegen zijn gebouwd
op grond.
Grond is niet overal hetzelfde. Aan het strand is het heel zacht. Het zijn heel kleine korreltjes. Die korreltjes zijn eigenlijk heel kleine steentjes. Met zand kun je fijn spelen. Op het strand kun je prachtige zandkastelen bouwen. Dan moet je het wel met water stevig maken. Een handvol zand glipt zo tussen je vingers weg. Als er een grote golf over het strand spoelt, zakt het water direct in het zand.
|
|
In een zandbak zit ook zand, geel korreltjeszand. Je kunt er goed mee spelen, want je krijgt er geen vieze vingers van. Grond in de tuin ziet er heel anders uit. Het is donkerder en niet zo los. Je handen worden er zwart van. De grond blijft eraan kleven. Er zitten ook allemaal kleine takjes en blaadjes in de tuingrond. Dat is goed voor de planten om in te groeien. Er leven ook beestjes in de grond. Die vinden die blaadjes lekker. In een zandbak groeien geen planten. Begrijp je nu wel, waarom? | ||