|
Les 03 Smullen in de herfst Bron: Leefwereld groep 4 Uitgeverij Jacob Dijkstra |
||||
|
In de herfst zijn er veel vruchten. De groente- en fruitwinkels liggen vol met appels
en peren en andere vruchten. Onder de bomen in het park liggen overal eikels en
kastanjes. En in het bos vind je dan veel dennenappels en sparrekegels. De meeste vruchten beginnen al in de zomer te groeien. In de herfst worden ze rijp. Dan kun je ze eten. Sommige vruchten zijn in de zomer al rijp. Denk maar eens aan aalbessen, bosbessen of kersen. Lang niet alle vruchten vinden wij lekker. Sommige kun je niet eens eten. Lust jij bijvoorbeeld eikels? Vlaamse gaaien zijn er wel dol op. Ze verstoppen ze zelfs in de grond. Dan hebben ze in de winter ook nog wat te eten.
|
De meeste vruchten zijn heel gezond. Begrijp je daarom deze regel: Snoep verstandig,
eet een appel!? In een appel zitten pitten. Pitten zijn zaadjes. In alle vruchten zitten
zaadjes; soms één, soms meer. In een kers zit maar één pit, dus maar één zaadje.
|
Zo'n zaadje zit eigenlijk verpakt in een vrucht. We eten dus eigenlijk de verpakking op. Sommige zaden hebben een sappige verpakking. Denk maar aan appels of kersen. Andere zaden hebben een droge verpakking. Kastanjes en eikels zitten verpakt in een harde schil. Vruchten groeien niet alleen aan bomen en struiken. Iedere plant krijgt vruchten en dus ook zaadjes. | ||