|
Les 06 Boris de hond Bron: Leefwereld groep 4 Uitgeverij Jacob Dijkstra |
||||
|
Boris stapt uit z'n mand. Hij rekt zich eens lekker uit. Daar hoort hij voetstappen. Hij
spitst de oren. Het is Kees. Die komt uit school. Boris begint te blaffen. En rent naar
de deur. Kees valt bijna omver als Boris tegen hem opspringt. "Kom Boris, we gaan
lekker buiten rennen." Eerst doet Kees hem aan de riem. Dan gaan ze naar buiten. De allereerste huisdieren van de mensen waren... wolven. Wolven zijn de voorouders van de honden. De wolven volgden de mensen bij het jagen. Na de jacht kregen de wolven een deel van de jachtbuit. Zo werden ze tam. Tamme wolven beschermden de mensen. Ze hielpen bij de jacht en het bewaken van de kudden.
|
Soomige honden kunnen heel hard rennen. Ze helpen heel goed bij het jagen. Andere honden zijn
heel waaks of heel sterk. Honden lijken op wolven. Wolven leven in groepen. Eén wolf is de baas.
Honden houden ook van gezelligheid. Een hond vindt het fijn om een baas te hebben. Honden kunnen
niet praten. Toch kunnen ze je veel vertellen.
|
Honden jagen anders dan katten. Een hond achtervolgt zijn prooi. Die hoort of ruikt hij. Hij kan heel hard rennen. En hij raakt niet gauw buiten adem. Hij grijpt z'n prooi met zijn bek. Dan schudt hij zijn vangst. Jonge poesjes spelen met propjes papier. Zo leren ze goed vangen. Jonge honden spelen ook. Gooi maar eens een stok weg. Daar rennen ze graag achteraan. Ze grijpen de stok met hun bek vast en komen dan grommend aanlopen. Ze schudden dan met hun bek. Zo bijten ze ook wel eens in je pantoffels. Ze leren zo hoe ze hun prooi moeten vasthouden. Maar de pantoffels gaan dan wel kapot... Een hond wil graag leren. Net als een jonge wolf. Hij moet leren gehoorzamen. Als je roept moet hij komen. Maar hij moet nog meer leren. | ||