Les 13: Je binnenste buiten
-------------

Kijk je wel eens in de spiegel? Je ziet alleen je buitenkant. Je binnenste blijft onzichtbaar. Je huid houdt pottenkijkers tegen. Of je zou jezelf moeten opensnijden. Maar laat dat maar aan de dokter over. Jammer, dat je niet naar binnen kunt kijken. Toch merk je er wel eens wat van. Je huid is eigenlijk een grote zak. In die zak zitten botten en spieren. En nog veel meer andere dingen. Er zitten botten in je benen, armen en in je rug. Je ruggengraat is een hele stapel botjes. Zonder botten zak je in elkaar. Al die botten noemen we een geraamte. Het is hard en stevig. Het beschermt de zachte delen van je lichaam. Je hersens zitten goed verpakt in je schedel. Je hart zit veilig achter ribben. Aan je botten zitten spieren vast. Daarmee kun je je armen en benen bewegen.

 

 

 

 

 

 

 

Een röntgenfoto is een bijzonder soort foto. Die laat dwars door je huid heen je botten zien. Je huid en spieren zijn grijs. De botten zien er veel witter uit. Botten kunnen breken. Gelukkig zijn botten levend. Ze kunnen weer aan elkaar groeien. In je lichaam gebeurt van alles. Allerlei machines zijn er aan het werk. Het zijn je organen, zoals je maag en je hart. Je zuigt lucht in en blaast het weer uit. Dat heet ademhalen. Je borst gaat op en neer. De lucht stroomt door je mond of neus naar binnen. En je gaat door de luchtpijp naar je longen. In die luchtpijp zit een klepje. Dat gaat dicht als je eet. Anders zou er eten in je luchtpijp komen. Als een spons zuigen de longen de lucht op. In de lucht zit zuurstof. Zonder zuurstof kun je niet leven. Als je hard loopt, heb je veel zuurstof nodig. Je hijgt ervan. Je gaat dieper en sneller ademen. Je hart gaat ook sneller kloppen. Als je rustig loopt, heb je minder zuurstof nodig.











 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Je hart klopt. Het is een pomp, een bloedpomp. Je hart pompt het bloed door je lichaam. In dat bloed zit zuurstof. Je longen hebben die zuurstof in het bloed gebracht. Dat bloed met zuurstof stroomt langs je organen. Zo krijgen alle organen zuurstof. Zonder zuurstof kunnen ze niet werken. Je organen hebben ook voedsel nodig: heel kleine stukjes voedsel. Die komen uit jouw eten. Ze maken een lange reis door je lichaam. Die reis begint in je mond. Je eten gaat door een nauwe buis naar je maag. Die buis heet de slokdarm. Die duwt het eten naar beneden. Alsof je een tube tandpasta uitknijpt. Het eten gaat weer verder in je darmen. Dan is het eten fijn genoeg gemaakt. Nu kan het in je bloed komen. Het bloed brengt het fijngemaakte eten naar je organen. Die kunnen dan hun werk doen. Er blijft ook wat over in je darmen. Dat afval poep je dan weer uit. Wie werkt maakt meestal afval. Je organen laten ook afval over. Dat afval stoten ze in het bloed. Je nieren maken het bloed weer schoon. En dat afval plas je uit. Als je alleen maar zal plassen, zou je uitdrogen. Logisch dat je moet drinken! .

 

 

 

 

 







Beantwoord de volgende vragen over de leestekst:

1. Hoe noemen we alle botten bij elkaar?

2. Wat zitten er vast aan je botten?

3. Waarom zit er een klepje in je luchtpijp?

4. Als je hard loopt, heb je dan meer zuurstof nodig?

5. Hoe komt het voedsel in je maag?


Opdracht: Volg de links (handjes) in de leestekst en bezoek de sites.
-------------