|
Les 15: Sneeuwpret Bron: Methode Leefwereld van Jacob Dijkstra |
||||
| Astrid doet de gordijnen open.
Ze is nog wat slaperig.
Ohhhh! Alles is wit.
Het heeft vannacht gesneeuwd.
Op de vijver ligt een dun laagje ijs.
Astrid wil graag buiten spelen.
Maar eerst moet ze naar school!
Het kan in de winter heel koud zijn.
Soms valt er een dik pak sneeuw.
Het kan ook flink vriezen.
Dat noemen we vorst.
Het vloeibare water wordt dan hard.
Het eerst bevriezen de plassen op straat.
Later komt er een laagje ijs op de vijvers.
Als het blijft vriezen, wordt het ijs dikker.
Ga niet te vroeg op het ijs!
Als het te dun is, zak je erdoor.
IJs is lichter dan water: het drijft.
Als water bevriest, heeft het meer ruimte nodig.
Het water zet uit.
Water in de waterleiding kan ook bevriezen.
Dan kan de waterleiding barsten.
Daarom moet die buis warm ingepakt worden.
Niet al het water bevriest even snel.
Op de vijvers kun je al snel schaatsen.
Op een kanaal, waar schepen varen, lukt dat niet.
Het water is daar te veel in beweging.
Stilstaand water bevriest sneller.
Daarom bevriest de zee bijna nooit.
Bovendien is zeewater zout
en zout water bevriest minder snel.
|
Er bestaat ook antivries.
Dat doe je in water dat niet mag bevriezen.
Bijvoorbeeld in het water voor de ruitensproeier van de auto.
Sneeuw en ijs zijn allebei bevroren water.
Toch lijkt sneeuw niet op ijs.
Sneeuw is een soort neerslag, net als regen.
Het komt uit de wolken.
In de wolken zitten allemaal waterdruppels.
Soms bevriezen die waterdruppels.
Dan veranderen ze in ijskorreltjes.
Deze kleine ijskorreltjes noemen we kristallen.
Het lijken kleine sterretjes met zes punten.
Je kunt ze alleen onder een loep zien .
De ijskristallen plakken een beetje aan elkaar.
Ze vormen samen sneeuwvlokken.
Die zijn zo licht, dat ze kunnen zweven.
Soms zijn sneeuwvlokken heel groot.
Dat noemen we natte sneeuw.
Dan is het niet zo heel koud.
Die natte sneeuw plakt goed.
Je kunt er prima een sneeuwpop mee maken.
Het blijft meestal niet liggen op de straat.
Als het buiten hard vriest, zijn de vlokken klein.
De droge sneeuw blijft vaak wel liggen.
|
De sneeuw ligt als een witte deken over alles heen. Dat is heel nuttig voor de planten.
Tussen de sneeuwvlokken zit veel lucht. Die lucht zorgt ervoor dat de planten niet bevriezen. Sneeuw en ijs zijn niet voor iedereen prettig. Denk eens aan het verkeer op straat!
Fietsen op gladde wegen is gevaarlijk. Autorijden gaat ook moeilijker. Treinen hebben soms vertraging. Op de grote wegen
wordt meteen zand en zout gestrooid. Dat gebeurt met grote strooiwagens. De stoep moeten we zelf sneeuwvrij maken.
Als het warmer wordt, smelten sneeuw en ijs. Het verandert weer in water. Het heet dooien.
De thermometer wijst dan nul graden aan. Nul graden noemen we het vriespunt. Sneeuw smelt ook als je er op drukt. Kneed maar eens een flinke sneeuwbal. De sneeuw wordt eerst nat en dan ijs.
Dat ijs houdt de sneeuwbal bij elkaar.
|
||
Beantwoord de volgende vragen over de leestekst
1. Hoe heet het als het flink vriest?
2. Waarom bevriest de zee bijna nooit?
3. Met welke sneeuw kan je een prima sneeuwpop maken?
4. Wat wordt er gestrooid zodat het niet meer zo glad is op de weg?
5. Hoe heet het als de sneeuw smelt?
-------------
Volg de links via de handjes in de leestekst