Les 26: De wei in mei

Bron: Leefwereld groep 5 Jakob Dijkstra Educatieve Uitgeverij 1991
-------------

Boer Venema wijst in de verte. 'Kijk,'zegt hij, 'daar is het vee.' Mark kijkt naar de koeien in de wei. Wat zijn het er veel! En wat een uitgestrekte velden! In de verte is de knecht aan het werk. Met zijn trekker maait hij het gras. Hij laat het gras op het land liggen. Dat wordt zeker hooi. 'Nee dat kuilen we in. In de winter krijgen de koeien dat als voer.' Je ziet in ons land overal weilanden. Het zijn velden vol met gras. De boer heeft dat gras gezaaid. Dat gras groeit en wordt langer. Koeien of schapen grazen van het gras. Zij maken het gras weer kort. Het gras gaat daardoor beter groeien. De grasplantjes groeien dicht bij elkaar. Ze vormen een dichte grasmat. Tussen het gras groeien ook andere planten. Denk maar aan pinksterbloemen en boterbloemen. Soms is de wei geel van de paardebloemen. Zij hebben hun blaadjes laag bij de grond. Die blaadjes staan in een krans. We noemen dat een rozet. Boterbloemen kruipen laag over de grond. Hun bloemen steken recht omhoog. De koeien grazen er omheen, want er zit gif in. Een weiland is ook rijk aan insecten. Bijen , hommels en vlinders vliegen van bloem tot bloem. Het wemelt er van vliegen en muggen. Kevers kruipen op de stengels. Tussen het gras zitten ook sprinkhanen. Je kunt ze bijna niet zien, maar wel horen. De mannetjes kunnen muziek maken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ze wrijven hun vleugels tegen elkaar. Dat geeft een tjirpend geluid. Sprinkhanen 'praten' met hun vleugels en ze horen met hun poten. Hun oren zitten op hun voorpoten! De vrouwtjes hebben een legboor. Het lijkt een stekel aan hun achterlijf. Hiermee leggen ze eitjes in de grond. Uit de eitjes kruipen larven. Dat zijn al kleine sprinkhaantjes. Ze hebben alleen nog geen vleugels. De sprinkhaantjes groeien hard. Hun 'jasje' groeit niet mee. De sprinkhaantjes vervellen daarom. Ze kruipen uit hun oude huid. Na een paar keer vervellen zijn ze volwassen. Ze hebben nu wel vleugels. De grond zit vol met regenwormen. Wormen zijn nuttig voor de boer. Ze maken met hun gangetjes de grond lekker luchtig. Het gras kan zo beter groeien. Er zitten ook veel larven in de grond. De larven van de langpootmug heten emelten. Zij knagen aan de wortels van het gras. Dat vindt de boer niet leuk.













 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maar de boer heeft helpers: de vogels. In het weiland lopen vaak spreeuwen. Hun jongen zijn dol op emelten. Driftig lopen ze tussen de koeien door. Voortdurend pikken ze emelten uit de grond. Ook de zwaluw heeft het druk. Hij vliegt aldoor heen en weer. Hij is ook op zoek naar insecten. Hij vangt ze in de lucht. Een echte weidevogel is de kievit. Hij buitelt door de lucht of loopt deftig door het gras. Zijn kuifje staat rechtop in de wind. Kieviten zijn verzot op wormen. Ze dansen met hun poten op de grond. De wormen komen dan naar de boven. Dan grijpt de kievit ze met zijn snavel. De grutto zie je vaak in natte weiden. Deze wormen-eter houdt van natte pootjes. Zijn lange snavel prikt hij telkens in de grond. Hij kan de wormen ermee voelen. In een weiland leven veel planten en dieren samen. Sommige dieren leven van planten. Dat zijn planteneters. Andere dieren leven van dieren. Dat noem je vleeseters. Als de een er niet zou zijn, zou de ander niet kunnen leven.

 

 

 

 

 

 

 





1. Beantwoord de volgende vragen over de leestekst

1. Waardoor gaat het gras beter groeien?

2. Wat is een rozet?

3. Hoe maken sprinkhanen muziek?

4. Waarom zijn wormen nuttig?

5. Hoe heten de larven van de langpootmug?




2. Volg de links in de leestekst.
-------------