Les 27: Op de boerderij
-------------

Een groot deel van ons eten komt nu van de boerderij. Sommige boeren houden koeien en varkens. Deze dieren geven ons melk en vlees. Zulke boeren noemen we veehouders. Andere boeren verbouwen graan, maïs of aardappelen. Die produkten groeien op akkers. Daarom heten die boeren akkerbouwers. De tuinders zorgen voor groenten, fruit en bloemen. Ze telen dat soms in grote kassen. Die kunnen ze verwarmen. Daarom kun je in de winter ook sla eten. Vroeger deed de boer bijna alles met de hand. Hij moest met de hand ploegen, mesten en zaaien. Vooral het oogsten was zwaar werk. Het gras werd gemaaid met de zeis. Iedereen hielp mee bij het hooien. Daar waren geen machines voor. Het hooi werd opgeslagen in de hooiberg. Een boer had vroeger vaak vee en akkers. De koeien werden met de hand gemolken. De melk verkocht hij zelf aan de mensen. De boerin maakte kaas en boter van de melk. In de winter gingen de koeien op stal. Dan stonden ze in lange rijen vastgebonden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Er was ook een kleine stal voor de geiten en de schapen. Rondom de boerderij scharrelden de kippen. Zij zorgden voor eieren voor het gezin. De varkens hadden hun eigen modderveldje. Paarden trokken de ploeg. Nu zie je nog maar weinig paarden bij de boerderij. Het werk gebeurt met machines. Er staat een trekker voor de ploeg. De boer gebruikt nog veel meer machines. De boerderij lijkt wel een fabriek. De koeien lopen in een grote stal los rond. In de melkstal worden ze met een machine gemolken. De melk wordt in grote tanks gepompt. Die worden leeggezogen in melkauto's. Zo gaat de melk naar de fabriek. Daar wordt de melk klaargemaakt voor de winkel. Er wordt ook boter en kaas van gemaakt.













 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een koe heeft geen boventanden. Ze trekt met haar tong en ondertanden het gras los. Ze slikt het gras direct door. Een koe heeft vier magen, wij maar één. Het gras komt in de eerste maag terecht. Als deze maag vol is, gaat de koe liggen. Het gras komt weer terug in haar bek. Nu gaat ze het gras pas echt kauwen. Dat noemen we herkauwen. Daarna slokt de koe het gras weer in. Dan komt het in een andere maag. In de stal krijgt de koe krachtvoer of ruwvoer. Krachtvoer koopt de boer bij de fabriek. Het ziet eruit als hondebrokjes. Er zitten allerlei gezonde dingen in. Het krachtvoer wordt bewaard in een silo. Dat is een soort toren, vlak bij de stal. Ruwvoer maakt de boer vaak zelf van gras of maïs. Hooi en ingekuild gras of snijmaïs zijn ruwvoer. Er zijn heel veel soorten koeien. Allemaal hebben ze weer andere namen. Bijvoorbeeld roodbontvee, de blaarkop en de lakenvelder.

 

 

 

 

 

 

 





1. Beantwoord de volgende vragen over de leestekst

1. Wat zijn veehouders?

2. Wat zijn akkerbouwers?

3. Waar zorgen tuinders voor?

4. Wat wordt er gemaakt van melk?

5. Hoeveel magen heeft een koe?




2. Volg de links in de leesles door op het handje te klikken
-------------