Les 28: Opvallen en wegwezen
-------------

Soms wil je graag opvallen. Je zet en leuke pet op. Of je trekt je nieuwe schoenen aan. Sommige mensen moeten opvallen. Denk maar aan een klaar-over. Iedereen moet hem of haar goed kunnen zien. Een boswachter moet juist opvallen. Daarom draagt hij een groen pak. We gebruiken kleuren om aandacht te trekken. Winkels met felle kleuren vallen op. De mensen worden er door die kleuren naar toe gelokt. Met kleuren maakt men reclame. Veel kleuren "vertellen" ons iets. Op schepen wordt geseind met kleurige vlaggen. Boeken hebben soms een gekleurde stip. Voetballers dragen gekleurde shirts. Ook op straat gebruiken we kleuren. Denk maar aan de verkeerslichten. Voor rood licht moet je stoppen. Er zijn blauwe en rode verkeersborden. Rood betekent dan "mag niet" of "pas op!" Ze waarschuwen de mensen in het verkeer. Een brandweerauto is daarom altijd rood. Treinen en bussen zijn meestal geel. Ook in de natuur vertellen kleuren iets. Bloemen maken met hun kleuren reclame. De bijen komen er dan op bezoek. Rode bessen betekent: rijpe bessen. Die kunnen de vogels dus eten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Sommige dieren hebben felle kleuren. Vogels willen graag opvallen. Een koolmees heeft een eigen gebiedje waar hij de baas wil zijn. Er mag geen andere koolmeesman komen. Die jaagt hij weg. Hij draait zijn kop opzij en toont zijn wangen. De felwitte kleur schrikt af!! Een roodborstje zet zijn oranje borstje op. Een pauw toont zijn mooie staart. Ook insekten hebben soms felle kleuren. Een wesp is fel geel-zwart gestreept. Je ziet hem al van grote afstand. Wespen kunnen gemeen prikken. Zo'n prik vergeet je niet gauw. Veel mensen en dieren zijn bang voor wespen. Voor wespen is dat fijn. Een wesp houdt door zijn kleuren vijanden op en afstand. Een lieveheersbeestje is rood met zwart. Rood valt erg op tussen al het groen. Rood is de kleur van gevaar. Een lieveheersbeestje bijt of prikt niet. Hij smaakt wel erg vies. Vogels spugen hem meteen weer uit. Het lieveheersbeestje geeft daarmee aan: pas op, eet mij niet! Rood en geel zijn alarm-kleuren.













 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zweefvliegen kunnen helemaal niet prikken. Toch hebben ze een "wespepak" aan. Ze zijn ook zwart-geel gestreept. Veel dieren durven hen niet te pakken. Zo foppen ze de andere dieren. En worden ze niet gauw opgepeuzeld. Ze kunnen ongestoord smullen van de bloemen. Rupsen smaken lekker. Ze doen niks terug, als ze gepakt worden. Vogels eten daarom graag rupsen. Sommige rupsen hebben daar wat op gevonden. Ze gebruiken een trucje. Deze rups heeft "nep-ogen". Zo lijkt hij heel gevaarlijk. Welke vogel durft hem nu nog te pakken? We noemen dit schrikkleuren. Kijk, die nachtpauwoogvlinder heeft ook nep-ogen. Veel dieren hebben onopvallende kleuren. Ze zijn bijna onzichtbaar. Moedereend broedt op haar eieren. Ze moet dus goed verstopt zijn. Met haar kleuren valt ze niet op. Een reekalf heeft kleine vlekjes. Het valt niet op tussen de struiken. Een sprinkhaan is zo groen als gras. Het lijkt wel of hij zich verstopt tussen het gras. Zijn vijanden kunnen hem niet gemakkelijk vinden. Kikkers hebben ook een verstopkleur. Zo'n verstopkleur heet een schutkleur. De spanrups is een kampioen-verstopper! Net als een wandelende tak . Ze zien er net zo uit als een takje. Bij gevaar houden ze zich helemaal stil.

 

 

 

 

 

 

 





1. Beantwoord de volgende vragen over de leestekst

1. Waarom gebruiken mensen en dieren kleuren?

2. Welke kleuren worden gebruikt in het verkeer?

3. Waarom is een lieveheersbeestje rood?

4. Wat zijn schrikkleuren?

5. Hoe wordt een verstopkleur ook wel genoemd?




2. Volg de links in de leesles door op het handje te klikken
-------------