Les 10 :Een weerpraatje

Bron: Leefwereld groep 6 Uitgeverij Jacob Dijkstra
-------------

De temperatuur geeft aan hoe warm of hoe koud het is. De warmte komt van de zon, onze grootste 'kachel'. Eigenlijk straalt de zon licht uit. De lichtstralen verwarmen de aarde. Dat merk je heel goed als je met blote voeten over het hete strand loopt. Zonder de zon zou het op aarde vreselijk koud zijn. Hoe warm of hoe koud het is, kun je meten met een thermometer bekijken. Je kunt daarop aflezen hoe hoog of laag de temperatuur is. We meten de temperatuur in graden Celsius. Wijst de thermometer een temperatuur aan, die lager is dat 0 graden celsius, dan bevriest het water. We noemen dat vorst.Als het erg hard vriest, bijvoorbeeld -15 graden Celsius, dan is strenge vorst. Na een paar nachten strenge vorstis het ijs sterk genoeg om er op te schaatsen. Het kan het kan ook heel warm worden. Bij 25 graden Celsius lopen we te puffen van de hitte. Als water verwarmd wordt tot 100 gradcen Celsius, gaat het koken. Wat gebeurt er dan? Als de weerman zegt dat het 17 graden wordt, betekent dat nog niet dat het overal even warm wordt. In de zon is het warmer dan in de schaduw. En hoog in de lucht is de temperatuur veel lager dan vlak bij de grond. De weerman meet de temperatuur altijd op dezelfde plaats, namelijk namelijk in de schaduw op één meter boven de grond. Op die plaatsen is de temperatuur wel gelijk. In het weerbericht staat dat er een regenbui kan vallen. Een regenbui ontstaat als de waterdruppels te zwaar geworden zij en dus uit de wolk naar beneden vallen. Er zijn verschillende soorten wolken. De weerman kan aan de wolken zien of er regen uitkomt of niet. Sommige wolken zien eruit als veertjes in de lucht. Dat zijn vederwolken. Daar komt geen regen uit. Deze witte wolkjes voorspellen mooi weer. Maar wolken die eruit zien als een bloemkool, bloemkoolwolken dus, beloven niet veel goeds... Soms zie je geen wolken, maar is alles grauw.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dan is de hete lucht bewolkt. Dat betekent vaak dat het gaat regenen. Onweerswolken zien er dik en donker en dreigend uit. Sommige mensen worden van deze stapelwolken een beetje bang... Jij ook? Bij onweer hoort donder en bliksem. De bliksem kan soms heel gevaarlijk zijn. Bliksemflitsen zijn grote elektrische vonken. Ze schieten van de ene wolk naar de andere en soms ook naar de grond. Als dat gebeurt, spreken we van een blikseminslag. Deze elektriciteit ontstaat door wrijving. Probeer zelf maar eens vonken te maken door met een wollen doek over een ballon te wrijven. Als het gaat onweren, schuiven koude en warme luchtlagen of wolen met fijne waterdruppeltjes en wolken met koude hagelstenen over elkaar heen. Door die wrijving ontstaat elektriciteit. Als dat gebeurt, flitsen al heel gaue de bliksemstralen door de lucht. Bliksemstralen zijn heel snel. De luchtdeeltjes worden uit elkaar getrokken. Even later botsen ze weer met groot geweld in het "gat" dat de bliksem had gemaakt, op elkaar. Deze botsing geeft een knal die wij donder noemen. Aan het geluid van de donder kun je uitrekenen hoever het onweer nog van ons vandaan is. Het geluid van de donder gaat minder snel door de lucht dan het licht van de bliksemflits. Je ziet dus eerst de flits en daarna hoor je pas de donder. Elke drie seconden tussen de bliksem en de donderknal is een kilometer. Door de seconden te tellen, kun je dus uitrekenen hoeveel kilometer de onweersbui nog van jou vandaan is.













 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zit er nog maar nauwelijks een tel tussen de bliksemflits en de donderslag, zorg dan maar dat je binnen bent. Want het onweer is dan vlak boven je... Regen, hagel en sneeuw noemen we neerslag. Sneeuwvlokken zijn heel lichte stukjes ijs. Het zijn bevroren waterdruppeltjes. Als je ze onder een loep bekijkt, lijken het net diamantjes. We noemen deze diamantjes kristallen. Ze zijn zeshoekig van vorm. Hagelstenen zijn ook bevroren waterdruppels. Maar ze zijn veel zwaarder dan sneeuwvlokken. Om deze waterdruppels zitten verschillende laagjes ijs. In een weerbericht staat iets over de temperatuur, de bewolking, de neerslag en de wind. Wind is lucht die van een gebied met hoge luchtdruk naar een gebied met lage luchtdruk stroomt. Als er een westenwind is, betekent dat dat de wind uit het westen komt. Soms is er bijna geen wind. Dan is het windstil. Maar de wind kan ook flink te keer gaan. Dat merk je heel goed, als het stormt. Dan zwiepen de bomen, kraken de takken en vliegen soms de dakpannen in het rond. Als je wilt weten uit welke richting de wind waait, kun je dat gemakkelijk zien aan de bomen, de vlaggen of aan de rook uit de schoorsteen. Je kunt het ook zelf ontdekken. Maak je wijsvinger maar eens nat en steek die omhoog in de lucht. Je vinger wordt koud aan de kant waar de wind vandaan komt. Hoe hard het waait, geven we aan met een cijfer. Als de windkracht ) is, is het windstil. Windkracht 3 betekent: matige wind. En windkracht 9 wil zeggen dat het stormt.

 

 

 

 

 

 

 





Beantwoord de volgende vragen over de leestekst

1. Wat geeft de temperatuur aan?

2. Hoe wordt de temperatuur gemeten?

3. Waar meet de weerman de temperatuur?

4. Wat is donder?

5. Wat is wind?


Beantwoord de volgende vragen via de links in de leestekst

1. Hoe oud is de zon?

2. Hoeveel mensen worden gemiddeld in Nederland per jaar dodelijk door de bliksem getroffen?

3. Wie heeft het liedje "Maak van je scheet een donderslag." gecomponeerd?

4. Noem enkele soorten neerslag.

5. Hoe ontstaat wind?
-------------