Les 13: Op de voedertafel
-------------

Jasper werd wakker van het kabaal buiten. Voorzichtig gluurde hij door de gordijnen. Wat een prachtig gezicht was dat!!Op zijn pasgemaakte voedertafel werd al druk ontbeten. Een paar groene vetzakken met grote snavels smulden van de zonnebloempitten. Aan het pindasnoer bengelden wel drie kleine vogeltjes. Het leek wel of ze een zwart stropdasje en een geel slabbetje voor hadden. Vol verbazing keek Jasper toe. Zo snel kon hij geen pinda doppen. Op de vetbol zat ook al zo'n opdondertje. Of nee, deze had een soort blauw petje op. Wat liep daar nu voor een klein, blauw vogeltje onder de voedertafel? Het vogeltje draaide zich om en Jasper zag een glimp van oranje. Daar streek een andere vogel, ook al met zo'n dikke snavel neer. Opeens nam een hele troep gespikkelde vogels bezit van de voedertafel. Jasper telde er wel tien. De andere vogels kwamen er niet meer aan te pas. Jasper tikte boos op de ruit. Rrrrrt... weg waren alle vogels. Een beetje sneu keek Jasper naar een lege voedertafel. Zo had hij het nu ook weer niet bedoeld. Vogels hebben het niet gemakkelijk in de winter. Jij zit dan meestal lekker binnen bij de verwarming. Maar vogels moeten buiten blijven, ook 's nachts. En die winternachten duren lang. Tegen etenstijd is het al donker en het wordt pas weer licht als jij de volgende dag naar school gaat. Al die tijd kunnen de vogels niets doen. Alleen maar wachten, bibberen en honger lijden. Want veel te eten is er niet in de winter. En wat er is, zit vaak verstopt. Zeker als er sneeuw ligt of als de grond bevroren is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Er zijn vogels die alleen van insekten leven. Voor hen is er helemaal geen voedsel meer. Veel van deze insekteneters trekken daarom in de herfst al weg. Maar de achterblijvers gaan een zware tijd tegemoet. Vogels die dol zijn op zaden, pitten en vruchten, kunnen met moeite nog wel wat vinden. Deze zaadeters kun je herkennen aan hun dikke, stevige snavel. En dan zijn er nog veel vogels die alles wel lusten.Kraaien en eksters zijn bijvoorbeeld zulke alleseters. Ze hebben grote, sterke snavels. Een aantal vogels overleeft de winter niet. Als je niet genoeg te eten krijgt, wordt je mager. Je krijgt te weinig weerstand en je wordt ziek. Zo gaat dat ook bij de vogels. Je moet ook eten om warm te blijven. Dat moeten vogels dus ook. Want een warm verenpak alleen, is niet voldoende. We kunnen de vogels helpen door ze in de winter te voeren. Niet alle vogels lusten hetzelfde. Zaadeters eten het liefst zaden, bijvoorbeeld zonnebloempitten of vogelzaad. Ze zijn ook gek op bruinbrood en gekookte aardappelen. Insekteneters kun je het best helpen met kaaskorstjes. Levende meelwormen uit een dierenwinkel vinden ze ook een lekkernij. Deze vogels moet je ook vet geven. Dat zit in vetbolletjes en in pinda's. Spreeuwen en merels zijn eigenlijk wormeneters, maar in de winter smullen ze ook even heerlijk van alles wat fruit is.













 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Je moet pas beginnen te voeren als het echt nodig is, dus als er sneeuw ligt of als het vriest. En als je ermee begint, moet je ook doorgaan. Want de vogels rekenen dan op je. Als je steeds op ongeveer dezelfde tijd voert, zitten de vogels - al zie je ze niet - al op je te wachten. Laat 's avonds geen voer liggen, want de ratten lusten het ook maar wat graag. Zout is slecht voor vogels. Dus geef niet zomaar etensresten. En plastic kaaskorstjes voeren is natuurlijk helemaal verkeerd. Als je regelmatig naar je voedertafel kijkt, kun je leuke dingen ontdekken. Sommige vogels komen elke dag. Andere zie je zo nu en dan eens verschijnen. De meeste vogels eten op de voederplank, maar er zijn er ook bij die hun voedsel meenemen. Het gaat er lang niet altijd even lief aan toe. Je hebt nogal wat ruziemakers onder het vogelvolkje. Als je naar je voedertafel kijkt, let er dan ook eens op, wat het lievelingsvoedsel van de vogel is. In de winter komen veel vogels vlak bij huis. Ze zijn dan minder schuw, omdat ze honger hebben. In het park bij de vijver zie je dat ook. Meeuwen en spreeuwen zijn vaak heel brutaal. Die komen wel aan hun trekken. Toch zijn er ook heel schuwe vogels. Die komen niet naar de mensen toe en hebben het heel moeilijk. Daarom gaan dierenbeschermers deze dieren voeren. Dat doen ze op een vast plekje, ver van de bewoonde wereld. Vooral visetende vogels moeten geholpen worden. Een roerdomp is zo'n schuwe viseter. Een reiger eet ook vis, maar is minder schuw.

 

 

 

 

 

 

 



Vragen over de webwandeling



1. Waar moet je de voederplank zetten?

De kraai



2. Hoe groot is de kraai ongeveer?
3. Waar worden kraaien mee gevangen?

De ekster



4. Waar komt de ekster voor?
5. Waar leven ze van?

De spreeuw



6. Wat is een standvogel?
7. Waarom is de spreeuw hinderlijk?

De meeuw



8. Noem 3 namen van meeuwen.
9.Hoe komt hij in Nederland voor?

De roerdomp



10.Waar broedt de roerdomp?
11.Is de roerdomp bedreigd?

De reiger



12. Wat betekent VOC?
13. Wanneer speelde dit verhaal zich af?