|
Les 19: Goed ingepakt de winter door |
||||
| Het is winter, echt winter.
Er waait een koude oostenwind en het vriest dat het kraakt. De mensen die nu buiten zijn, hebben zich goed ingepakt: een dikke
winterjas aan, een warme muts op, een sjaal om en wanten aan. Zo kunnen ze goed tegen de kou.
Planten pakken zich ook goed in tegen de kou. Als het voorjaar wordt, gaan ze meteen weer door met
groeien en bloeien. Een madeliefje en een paardebloem hebben een krans van bladeren. Die zitten heel
dicht op elkaar, vlak tegen de grond aan. Zo'n krans heet een rozet. Midden uit de rozet groeit de wortel in de grond. In die wortel zit reservevoedsel.
Het reservevoedsel zorgt er voor dat de plant de winter goed doorkomt.
|
De meeste bomen laten in de herfst hun bladeren vallen. Dan zitten er aan de takken weer nieuwe knoppen.
In de knoppen zitten de nieuwe blaadjes al. Die zijn dus goed ingepakt tegen de kou. Er zijn ook groenten die zich in de winter goed beschermen. Gelukkig maar, anders zouden we geen wintergroenten kunnen eten.
Er zijn wintergroenten, zoals winterwortel, rode bietjes, koolrapen en aardappelen die zich in de grond verstoppen. Dat doen ze allang voor de winter. Ze bewaren een heleboel reservevoedsel in hun wortels
of in de bladeren.
|
Sommige groenten kunnen niet de hele winter in de tuin staan.
Rode en witte kool, rode bieten, wortels en uien worden daarom al in de herfst geoogst. Ze worden dan in grote schuren donker en koel bewaard. Daarom noemen we deze groenten
bewaargroenten. Tegenwoordig kun je ' s winters ook sla , bloemkool, spinazie en sperzieboontjes kopen.
Eigenlijk zijn het zomergroenten. Maar de mensen willen ze graag het hele jaar door eten. Daarom worden ze ook in verwarmde en verlichte
kassen gekweekt en uit ander landen, waar het warmer is, ingevoerd.
|
||