Les 2: Nog meer over bloemen

Update: augustus 2008

Bron: Leefwereld groep 6 Uitgeverij Jacob Dijkstra
-------------

Mensen zijn dol op bloemen, sommige dieren ook. Allerlei insekten, zoals vlinders en bijen , komen op de mooie kleuren en lekkere geuren af. Soms zit er ook wat lekkers in de bloemen. En daarvan snoepen insekten graag. De insekten bezoeken de bloemen om nectar te drinken. Bijen kunnen van die nectar honing maken. Maar behalve de nectar nemen de insekten nog vaak iets anders mee. In de meeste bloemen zitten meeldraden. Uit de rijpe meeldraden komt stuifmeel. Als de insekten op een bloem gaan zitten om nectar te halen, raken ze ook de meeldraden met stuifmeel aan. Het stuifmeel blijft op hun rug liggen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vliegen ze nu naar een andere bloem, dan nemen ze dus het stuifmeel mee. Als de insekten met hun rug de stamper van de andere bloem aanraken, blijft het stuifmeel kleven aan de stamper. Het overbrengen van stuifmeel van de ene naar de andere bloem heet bestuiven. Sommige bloemen hebben geen insekten nodig. Dat zijn de bloemen die niet geuren en geen gekleurde bloemblaadjes hebben. Het stuifmeel van deze bloemen wordt door de wind verspreid. Daarom heten deze bloemen windbloemen. Gras en sommige plantjes tussen het gras, zoals weegbree en zuring , zijn windbloemen. De meeldraden van de windbloemen hebben heel veel stuifmeel. Dat stuifmeel is ook heel licht. De wind kan het heel gemakkelijk wegblazen. Bij deze bloemen zorgt de wind dus voor de bestuiving.













 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een bloem heeft stuifmeel van een bloem van dezelfde soort nodig om zaadjes te kunnen maken. Als een stuifmeelkorrel door insekten of door de wind op de stamper terechtgekomen is, begint het te groeien. Het groeit dan in een buisje naar beneden de stamper in. In het onderste deel van de stamper zitten heel kleine hokjes. Die heten zaadknoppen. Als de stuifmeelkorrels helemaal beneden zijn, groeien ze in de zaadknoppen. Dit noemen we bevruchten. Na de bevruchting beginnen het zaadje en het onderste deel van de stamper samen te groeien . Uit dat samengroeien ontstaat een vrucht, waarin een of meer zaadjes zitten. De bloemblaadjes en de meeldraden van de bloemen sterven af. Die zijn dan niet meer nodig.

 

 

 

 

 

 

 





1. Beantwoord de volgende vragen over de leestekst:

1. Waarom bezoeken de insecten bloemen?

2. Wat maken bijen van nectar?

3. Wat nemen de insecten mee naar een andere bloem?

4. Wat zijn windbloemen?

5. Wat is bevruchten?
-------------




2. Volg de links in de leestekst en beantwoord de vragen:

1. Wat is het krachtigste wapen van de bij?

2. Hoeveel keer vervelt een rups?

3. Wie zorgen voor de verspreiding van de zaden?

4. Wat deden de Romeinse soldaten met zuring?

5. Hoeveel kilo stuifmeel haalt een bijenvolk per seizoen binnen?