Les 14: Op de loop gaan
-------------

Dieren hebben poten, vinnen of vleugels, maar geen wielen. Wielen zijn alleen geschikt op een vlakke, harde bodem. In mul zand kun je niet fietsen. Met poten kun je overal vooruitkomen. Kijk maar naar 1. mieren of kevers tussen het gras. Met poten kun je ook klauteren, springen, graven en zelfs zwemmen. De meeste zoogdieren gebruiken hun poten om te lopen. Dat lopen kan op verschillende manieren. Wij zetten bij iedere stap onze hele voet op de grond. Sommige dieren, zoals beren en egels, doen dat ook. We noemen ze daarom zoolgangers. Andere dieren, zoals katten en honden, lopen op hun tenen. Daarom zijn dat teengangers. De poten van teengangers zijn langer. En deze langbeners kunnen sneller lopen. Ze kunnen dus echt op de loop gaan. Paarden en herten lopen zelfs op de toppen van hun tenen. Het lijken wel ballerina's, maar het zijn de beste lopers!! Zo'n teen heeft heel wat te lijden. Daarom zit er een beschermdop omheen: de hoef. Deze grote vingerhoed is een speciaal gebouwde nagel. Een ree heeft twee van dit soort hoeven. 2. Paarden lopen op een hoef, dus op een teen. De hoefgangers zijn echte snelheidsdieren. Ze kunnen gewoon stappen, maar ook draven en galopperen. Bij stappen wordt steeds een poot opgetild. Een dravend dier tilt twee poten tegelijk op. Honden, katten en paarden doen dat kruislings: bijvoorbeeld rechtsvoor en linksachter tegelijk of linksvoor en rechtsachter tegelijk. We noemen dit kruisgang.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een kameel tilt steeds twee poten aan een kant op. Deze schommelende manier van lopen noemen we telgang. Als je op een kameel zit, kun je "zeeziek" worden. Heel hard draven heet galopperen. Bij galop komt het dier afwisselend op de voor- en achterpoten terecht. Dan zijn alle vier de poten zelfs heel even tegelijk van de grond. Kangoeroe's en kikkers bewegen zich vooral springend voort. Sprinkhanen en 3. vlooien kunnen metershoog springen. De gespierde achterpoten duwen het dier als een katapult omhoog. Heel veel dieren kunnen goed springen, bijvoorbeeld eekhoorns, konijnen en spinnen. Sommige dieren, zoals een 4. slak en een schildpad, kruipen traag voort. Een slak sleept zijn hele lichaam over de grond. Een schildpad moet een dik zwaar pantser meetorsen. En zijn korte stompe pootjes staan bovendien opzij van zijn lichaam. Slangen zetten zich met golvende bewegingen van hun lijf af tegen de grond. Wormen hebben kleine borstelhaartjes, waarmee ze zich kunnen voortbewegen. Mensen zijn geen echte klimmers. Gemsen en steenbokken kunnen veel beter klimmen. Apen hebben echte "klimhanden" en soms ook een grijpstaart. Gibbons slingeren als echte tarzans van tak tot tak. Eekhoorns hebben klauwen om zich vast te haken. Andere dieren, zoals boomkikkers, hechten zich vast met de zuignapjes onder hun poten.











 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ware meesters in de klimtechniek zijn insekten en spinnen. Vliegen lopen met gemak ondersteboven tegen het plafond. Aan hun pootjes zitten klauwen en haartjes. In het water kom je minder snel vooruit dan op het land. Dat komt omdat je je in het water nauwelijks kunt afzetten. Waterdieren met poten als roeispanen hebben daar minder last van. Verder biedt water veel meer weerstand dan lucht. Daarom zijn veel vissen gestroomlijnd: ze zijn vaak sigaarvormig. Echte zwemdieren hebben geen poten maar vinnen. De staartvin dient voor de voortbeweging. Met de andere vinnen kan het dier sturen en remmen. Sommige dieren zorgen zelfs voor een echte straalaandrijving. Inktvissen spuiten een flinke waterstraal door hun trechter en dan schieten ze vooruit. Een mens kan lopen, springen en zwemmen, maar niet vliegen. We kunnen alleen vliegen met vliegtuigen of helikopters. Dat komt omdat de lucht heel weinig draagvlak heeft. De meeste vogels kunnen wel goed vliegen. Daar hebben ze grote vleugels voor nodig en ze moeten licht van gewicht zijn. De vleugels zijn eigenlijk de armen van de vogel. De slagpennen zitten vast aan de onderarm en de hand. De dekveren bedekken dakpansgewijs de openingen tussen de spoelen van de slagpennen. Vliegen heeft te maken met luchtdrukverschil. Vleugels hebben een speciale vorm: de bovenkant is bol, de onderkant vlak. Daardoor moet de lucht langs de bovenkant een langere weg afleggen dan langs de onderkant. De lucht zal zich daarom langs de bovenkant sneller verplaatsen. Dit heeft tot gevolg dat de luchtdruk aan de bovenkant lager is, en zo ontstaat er een opwaartse druk. Vleermuizen kunnen ook vliegen. Ze hebben geen veren maar een vlieghuid. Het lijkt wel ,of ze met een soort paraplu rondfladderen. Insekten vliegen op allerlei manieren. 5. Vlinders zweven schommelend door de lucht, terwijl libellen razendsnel door de lucht schieten. Zelfs kevers kunnen vliegen, maar zij verbergen hun vleugels na afloop onder hun dekschilden.

 

 

 

 

 

 

 



Beantwoord de volgende vragen via de links

1. Hoe verlaat de koningin het nest?

2. Wat doet deze organisatie?

3. Hoelang duurt het voordat een vlooieneitje is ontwikkeld?

4. Wat heeft de huisjesslak we en de naaktslak niet?

5. Hoe ziet het lichaam van een vlinder eruit?
-------------
-------------