|
Les 16: Electriciteit is overal Deze les is 18 februari 2009 geupdated. Bron: Leefwereld groep 7 Uitgeverij Jacob Dijkstra | ||||
| Elektriciteit lijkt heel gewoon. Je hoeft maar op een schakelaar te drukken en het licht brandt of de computer gaat aan. Eigenlijk kunnen we niet meer zonder elektriciteit. Iedereen maakt er gebruik van en in ieder huis zijn elektrische apparaten. Elektrische stroom gebruik je in je zaklantaarn en ook je fietslicht werkt er op. Er zit stroom in een batterij en in een accu, maar je kunt het ook uit een stopcontact halen. Er kan zelfs 1. elektriciteit in je haar zitten. Het knettert dan als je het kamt. Elektriciteit is een merkwaardig verschijnsel. Je kunt het niet zien, horen of ruiken. Elektriciteit gebruiken we om allerlei soorten lampen te laten branden. In huis gebruiken we verschillende soorten lampen: de lamp in de schemerlamp is heel anders dan de TL-buis in de kelder. Als de koplamp van de auto kapot is, kan die niet vervangen worden door een gewone lamp. In het theater en op het voetbalveld worden hele grote lampen gebruikt in de schijnwerpers. En de lampen in de 2. vuurtoren zijn nog sterker. Dat zijn heel andere lampen dan het lampje in je zaklantaarn of op je fiets. Met elektriciteit kun je dus licht maken. Vroeger deed men hete kolen in de strijkbout. Nu stop je de stekker in het stopcontact en de strijkbout wordt heet. Zo werkt een elektrisch kookplaatje ook. Een gloeilamp kan behoorlijk heet worden als hij een tijdje heeft gebrand. In een broodrooster en een wasmachine zit een elektrische verwarming. Met elektriciteit kunnen we dus warmte maken. Je mobieltje en je psp werken op elektriciteit. Sommige apparaten werken op batterijen, andere op het lichtnet of zelfs op allebei. Er bestaan ook elektrische muziekinstrumenten zoals een keyboard of een elektrische gitaar. En denk eens aan de elektrische bel. Je kunt met elektriciteit dus geluid maken of versterken. Met elektriciteit kun je een stuk ijzer magnetisch maken. Met die elektrische kracht kun je een motor laten draaien.
|
Daarmee kun je allerlei soorten machines aandrijven. Je kunt bijvoorbeeld hijskranen hele zware dingen laten tillen. Andere apparaten zijn maar heel klein en werken op een batterijtje. Met elektriciteit kun je dus kracht uitoefenen. Stroom komt uit verschillende bronnen. Thuis en op school komt de stroom uit het stopcontact. Een mobieltje en een zaklantaarn krijgen hun 3. stroom van een batterij. De claxon, het licht en de ruitverwarming in een auto krijgen stroom van de accu. Elektriciteit komt niet zomaar uit een stopcontact of batterij. Het zijn geen toverdozen. In de natuur komt elektriciteit wel zo maar voor, bijvoorbeeld als het bliksemt. Met die elektriciteit kunnen we echter niets doen. Dat is te gevaarlijk. Elektriciteit moet eerst gemaakt worden. Met elektriciteit kun je iets magnetisch maken, maar het kan ook omgekeerd. In 1831 ontdekte Michael Faraday dat je met een ronddraaiende 4. magneet elektrische stroom kunt maken. Zo werkt de dynamo . Daarmee kun je de stroom voor het licht op je fiets maken. Als je fietst gaat het wieltje op je dynamo draaien. Daardoor gaat de as in de dynamo draaien en de sterke magneet die eraan vastzit. De magneet draait langs een klosje koperdraad en hierin ontstaat dan elektrische stroom voor de verlichting op je fiets.
|
De stroom uit het stopcontact wordt eigenlijk op dezelfde manier gemaakt. In een elektrische centrale wordt water verhit met aardgas, steenkool, aardolie of kernenergie. Daardoor ontstaat stoom, die met grote kracht tegen een soort schoepenrad wordt geblazen. Daarmee wordt een enorme dynamo rondgedraaid en dan ontstaat er elektrische stroom: genoeg voor een hele stad. In een batterij komt die energie uit chemische stoffen. Als je een batterij bekijkt, zie je dat er aan de ene kant een (+) op staat en aan de andere kant een (-). Het verschil tussen (+) en (-) noemen we een spanningsverschil. De spanning wordt aangeduid met volt (v), genoemd naar Alessandro Volta, een Italiaanse geleerde, die tweehonderd jaar geleden al een soort 5. batterij uitvond. Batterijen leveren meestal 1,5 of 4,5 volt. De elektrische stroom die we thuis gebruiken heeft een spanning van 220 volt. In een batterij zorgen chemische stoffen ervoor dat er een spanningsverschil optreedt. Als de chemische stoffen verbruikt zijn, kan er geen spanningsverschil meer worden gemaakt en is de batterij "leeg". Een klein batterijtje levert een kleiner spanningsverschil dan een grote accu.
|
||
Les 16: Beantwoord de volgende vragen via de links
-------------
1. Wie slaagde erin om als eerste een bruikbare gloeilamp te maken?
2. Hoe vaak flitst de lamp in de vuurtoren?
3. Wat zijn de twee van de bekendste uitvindingen van Edison?
4. Wat is een magneet?
5. Wat betekent het Engelse woord battery?
-------------