|
Les 17: Er gaat me een lichtje op. Deze les is 22 februari 2009 geupdated. Bron: Leefwereld groep 7 Uitgeverij Jacob Dijkstra | ||||
| Als je iets op elektriciteit wilt laten werken, heb je niet alleen een stroombron nodig, maar ook iets waardoor de stroom
zich makkelijk kan verplaatsen. Dat gaat heel goed in 1. koperdraad. Maar als je met een koperdraadje een batterij met een lampje verbindt, gaat dat lampje niet branden! Dat doet hij alleen als er ook een koperdraad van het lampje teruggaat naar de batterij. De elektrische stroom moet ergens doorheen kunnen. De stroombron, de heen-draad, het lampje en de terug-draad vormen samen een kring. Dat noemen we een stroomkring. Als je ergens in en stroomkring een schakelaar zet, kun je de stroom onderbreken. Als de schakelaar "uit" staat, kan de stroom niet verder rond en kan het lampje ook niet branden. In een gloeilamp zit een dun draadje waar de stroom doorheen moet. Omdat alle stroom door dat dunne draadje moet, wordt dat draadje heet, gaat gloeien en geeft licht. Na een tijdje brandt het draadje door. De stroom kan niet meer rondgaan en de lamp geeft dus geen licht meer. Vaak werken er meer elektrische apparaten op een stroombron. In de meeste huizen zijn veel lampen en apparaten. Op je fiets heb je een voor- en een achterlicht.
|
Als je in een stroomkring alle apparaten en lampen achter elkaar
in de kring zet, moet de stroom die door de draad gaat door alle apparaten en lampen gedeeld worden. De apparaten zijn dan in serie geschakeld. Als je alle apparaten apart met de stroombron verbindt, kunnen ze allemaal direct uit de stroombron putten. Dat heet parallel schakeling. Als de lampen van je fiets branden, moet er op je fiets dus een stroomkring te vinden zijn. De dynamo is de stroombron. Dan zijn er de heen-draden naar de koplamp en naar het achterlicht. Maar waar is de terug-draad? Die is er niet! Maar, zul je zeggen, dan kan de stroom toch niet rond gaan en kunnen de lampen toch niet branden? Dat is waar, maar bij de fiets gaat de stroom door het ijzeren frame terug naar de dynamo. De fiets is dus eigenlijk de terug-draad.
|
Elektrische stroom zoekt altijd de gemakkelijkste en
kortste weg. Dat kan bijvoorbeeld als de stroom van de heen-draad in de terug-draad kan komen voordat hij bij de lamp of het apparaat is. We noemen dat kortsluiting. 2. Kortsluiting kan gevaarlijk zijn. Er kan heel veel stroom gaan lopen. De draden worden dan heet en er kan brand ontstaan. Stroom kan dus niet alleen door snoeren gaan, maar ook door ijzer. Het kan zelfs door je lichaam gaan en door vochtige grond. Soms zelfs door de lucht. Dat gebeurt als het onweert. Alle materialen waar stroom doorheen kan, noemen we stroomgeleiders. Koper, dat in stroomdraden wordt gebruikt, is een hele goede geleider. Water is ook een goede geleider van stroom. 3. IJzer geleidt de stroom minder goed en door lucht gaat de stroom haast niet. Er zijn ook materialen waar de stroom niet doorheen kan. Zulke stoffen noemen we stroomisolatoren. 4. Rubber en plastic zijn voorbeelden van stroomisolerende stoffen. Daarom zit er rubber of plastic om de snoeren heen. De stroom blijft dan in de draad. Als de isolatie van de draden van je fietsverlichting beschadigd is, kan er kortsluiting ontstaan. De stroom gaat dan wel rond, maar niet door de lamp. Met isolatieband kun je de draden weer repareren. Blootliggende draden moet je niet aanraken. De stroom kan dan door je lichaam gaan en je kunt een schok krijgen. Bij sterke stroom kun je daar zelfs dood aan gaan. Kijk dus maar uit!
|
||
Beantwoord de volgende vragen via de links:
-------------
1. Hoe werd koperdraad uitgevonden?
2. In welk land stond de brandweerkazerne in brand door kortsluiting?
3. Wat is het smeltpunt en het kookpunt van ijzer?
4. Wat was de uitkomst van het onderzoek naar de ontdekking van de rubberboom?
-------------