Les 6: Dieren in het bos.
-------------

Links 15 oktober 2006 gecontroleerd en aangepast.
-------------

Veel dieren vinden een bos een fijne plek om te wonen. Ze zitten er veilig beschut tegen kou en gure wind. Bovendien kunnen zij zich in een bos prima verschuilen tussen de hoge varens en de dichte braamstruiken. Ook holle bomen bieden een goede bescherming tegen vijanden. Bosdieren leiden een verborgen leven. Je hoort ze niet, je ziet ze niet, maar ze zijn er wel. Zodra je een bos binnengaat, verstoppen de dieren zich. Het bos lijkt dan wel uitgestorven. Maar vanuit hun schuilplaatsen beloeren ze je. Zij zien jou wel, maar jij hen niet. Toch kun je ze ontdekken, als je maar geduld hebt. De dieren verraden hun aanwezigheid vaak door sporen die ze achterlaten: keutels of afgekloven denneappels. Met een beetje geluk kun je een heleboel sporen vinden. Op eikebomen zie je soms rare vergroeiingen aan de takken of aan de onderkant van de bladeren. We noemen ze gallen. Hierin wonen de larven van galwespen. Galwespen lijken niet op gewone wespen. Deze insektjes zijn maar een halve centimeter groot. Een galwesp legt een eitje bijvoorbeeld in een blad. Daaruit kruipt een larve die gelijk op het blad spuugt. In dat spuug zit een soort groeistof. Op dat spuugplekje begint het blad dan enorm te groeien. Zo ontstaat een gal. In die gal woont en eet de larve van de galwesp. Als hij volgroeit is, verpopt hij zich. Later, als hij een echte galwesp is geworden, kruipt hij er uit.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In een bos is volop voedsel voor de dieren. Vooral voor de planteneters is er eten in overvloed: bladeren, sappige stengels, vruchten, wortels en zelfs boomschors en hout. De meeste dieren zijn planteneters: grote dieren zoals reeën, maar ook kleine dieren zoals bosmuizen en insekten. De larven van insekten zijn echte eetmachines. Die eten met elkaar makkelijk een boom of struik kaal. Gelukkig zijn er ook nog vleeseters, die op de planteneters jagen. Vleeseters zijn er ook in alle vormen en maten, van vos tot spin. Er zijn ook dieren die van twee walletjes willen eten. Een bosmuis is een kleine planteneter. Hij eet graag zaden, zoals eikels. Om te eten, moet de muis uit zijn schuilplaats komen. Maar daar loeren allerlei gevaren. Een bosuil slaat zijn slag en eet de bosmuis op. De planten, de muis en de 1. uil vormen samen een voedselketen. Aan het begin van zo'n keten staan altijd de planten. Die worden opgegeten door planteneters. En die worden op hun beurt weer opgegeten door vleeseters. Er zijn heel veel voedselketens in een bos.











 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een bosmuis heeft heel veel zaden nodig om in leven te blijven. En een bosuil heeft ook niet genoeg aan een bosmuisje. Dat kun je zien in een voedselpyramide. Een pyramide is onderaan heel breed en eindigt in een punt. De voedselpyramide is verdeeld in gelijke lagen. In de onderste laag zitten dus heel veel exemplaren en in de bovenste laag heel weinig. Zodoende zijn er dus veel meer zaden dan bosmuizen, en veel meer bosmuizen dan bosuilen. Niet alleen de uil jaagt op de bosmuis. Ook 2. vossen , 3. wezels en valken lusten graag een muisje. Met zoveel vijanden moet een muis eigenlijk overal ogen en oren hebben. De muis zit in een heleboel voedselketens. Dat is met veel meer dieren en planten het geval. Op de 4. eik bijvoorbeeld leven rupsen en bladluizen. Rupsen eten van de bladeren en bladluizen zuigen sap uit de stengels. Vogels eten van de knoppen. De eikels worden opgegeten door de bosmuis. Rupsen en bladluizen worden opgegeten door koolmezen. Lieveheersbeestjes zijn ook verzot op bladluizen. De 5. sperwer loert op de koolmees en de bosuil op de bosmuis. Al die voedselketens door elkaar vormen een voedselweb Je ziet dat de planten en dieren van elkaar afhankelijk zijn. Daarom noemen we een bos ook wel een levensgemeenschap.

 

 

 

 

 

 

 



Beantwoord de volgende vragen via de links in de leestekst

1. Waarom is de konijnuil een aparte uil?

2. De vos is nu een beschermd dier. Wat deden de jagers er vroeger mee?

3. Wat eet een wezel?

4. Over welke eik hebben we het in Nederland vooral?

5. Hoe lang broedt een vrouwtjessperwer?
-------------