|
Les 11: Anders en toch gelijk |
||||
| Mensen en dieren lijken niet op elkaar. Een hond loopt op vier poten en kan dat veel sneller dan een mens. Hij loopt met zijn kop naar beneden de trap af. Dat moet jij eens proberen. Toch lijkt een hond op een mens. Kijk maar eens naar zijn geraamte. Honden zijn op dezelfde manier gebouwd als mensen.
Een hond heeft ook een ribbenkast en ruggenwervels, net als de mens. Zijn voorpoten lijken wel wat op onze armen. Hij loopt alleen op zijn tenen en wij op onze hele voet. Toch heeft het geraamte hetzelfde bouwplan.
Er zijn dieren die hetzelfde bouwplan hebben en er toch verschillend uitzien. Dat komt omdat ze er een heel ander leven op nahouden. Een giraf zoekt zijn voedsel hoog in de bomen. Dan is een lange nek wel handig. Een mol heeft voor zijn ondergrondse leven alleen maar last van een lange nek. Toch zijn het allebei dieren met eenzelfde soort geraamte. Een mol heeft poten om te graven en een giraf om snel weg te galopperen. De poten van een mol hebben dus een andere functie. Daardoor ziet een mollepoot er anders uit dan de poot van een giraffe. Maar in hun bouwplan lijken ze op elkaar.
|
Een mol
kan goed graven,maar hij kan niet hard lopen. Een tonijn is een snelle zwemmer, maar vliegen kan hij niet. De ene diersoort is volkomen aangepast aan het waterleven en de andere soort voelt zich het meest op zijn gemak onder de grond. Weer andere diersoorten kunnen alleen maar leven op het poolijs of in donkere grotten.
Al deze diersoorten kunnen een ding heel goed. Het zijn specialisten in iets wat een ander niet zo goed kan. Zo hebben ze ook geen concurrenten en kunnen ze makkelijker overleven. Sommige dieren eten gras, andere de blaadjes van struiken en een giraf de blaadjes van hoge bomen. Toch is specialisatie niet altijd handig. Als je gespecialiseerd bent in mieren eten, heb je voor je maaltijd altijd mieren nodig. Als de mieren wegtrekken, zit je mooi zonder voedsel! Daardoor zijn er in de loop van de geschiedenis
nogal wat dieren uitgestorven. Dieren die zich bijvoorbeeld helemaal hadden aangepast aan een warm klimaat, gingen dood toen het kouder werd. Dat gebeurt nu nog. Het vuurbuikpadje kan alleen maar leven in ondiepe drinkpoelen. Die had je vroeger in Zuid-Limburg veel bij boerderijen. Tegenwoordig staan er grote betonnen bakken voor het vee. En de vuurbuikpadjes zijn verdwenen.
|
En wij mensen dan? Zijn wij ook specialisten of zijn wij all-rounders? Wij kunnen hardlopen, maar alle grote dieren van de vlakte lopen sneller. Wij kunnen klimmen, maar de kleinste aap kan het veel beter. We kunnen zelfs zwemmen, maar we verliezen het van de eerste de beste goudvis . We zijn van alle markten thuis, maar kunnen alles maar een beetje. Toch kunnen we ons bijna overal handhaven. Wij kunnen ons met ons gedrag aanpassen aan de omstandigheden. We kunnen ons handhaven op de Noordpool , maar ook in de tropen. We racen langs snelwegen en vliegen naar de maan. Het grote verschil vormen onze hersenen. Wij bedenken allerlei hulpmiddelen om ons aan te passen. We ontdekken het wiel en vertellen die uitvinding door aan anderen. Daarvoor zit je ook hier op school. We bouwen voort op onze kennis. De handkar is nu vervangen door een truc met oplegger . Een moderne race auto is sneller dan de snelste cheetah. Een arend kan het niet winnen van onze straaljagers. Misschien zijn wij mensen toch wel specialisten. Wij kunnen ons verstand goed gebruiken. Maar ... we maken het meest kapot van alle levende wezens op aarde. Dus of we echt de slimste zijn?
|
||
1. Beantwoord de volgende vragen over de leestekst:
1. Wat is het verschil tussen het lopen van een mens en een hond?
2. Waarom is een specialisatie niet altijd handig?
3. Geef eens een voorbeeld van een verdwenen dier.
4. Wat betekent dat mensen zich met hun gedrag kunnen aanpassen aan de omstandigheden?
5. Zijn mensen echt de slimste wezens op aarde?
-------------
2. Volg de links in de leestekst en beantwoord de volgende vragen:
1. Hoe heten de gangen die mollen maken?
2. Waar en hoe worden tonijnen gevangen?
3. Waar komen giraffen veel voor?
4. Wat eten ijsberen?
5. Is een goudvis gelukkig in een ronde kom?
-------------