Les 14: Geef hem van katoen
-------------

Veel kleren hebben aan de binnenkant een lapje, een soort etiket. Hierop staat vermeld van welke grondstof het kledingstuk is gemaakt. In veel kleren zitten meer grondstoffen verwerkt. Op het etiket staan dan procenten, bijvoorbeeld 60% katoen en 40% polyester. Vaak staat er ook een wasvoorschrift op. De katoen van je spijkerbroek komt van de katoenplant. De stof wordt gesponnen van grote pluizebollen. Katoenplanten hebben veel zon en warmte nodig. De meeste katoenplantages vind je dan ook in tropische en subtropische gebieden. Duizenden jaren geleden werd er in India en Peru al katoen gesponnen. Pas in de 18e eeuw kwam de katoenhandel op gang en kwamen erin Engeland en Nederland katoenspinnerijen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ook andere planten leveren grondstoffen voor garens. Van vlasplanten wordt linnen gemaakt, al eeuwenlang. Deze planten worden nog steeds in Nederland verbouwd. Vlasplanten bloeien in mei en juni met lichtblauwe bloempjes. Aan het einde van de zomer is het vlas rijp. De bloempjes zijn dan veranderd in bruine bolletjes. Met wortel en al worden de planten nu uit de grond getrokken. In de lange vlasstengels zitten de vezels tussen de plantelijm. Die vezels moeten eerst losgeweekt worden. Dat gebeurt door de stengels in het water te laten rotten. Dit heet "roten". Dat stinkt heel erg. Van de gedroogde vezels kunnen vervolgens draden gesponnen worden. En hiermee worden linnen stoffen geweven. Ook dieren leveren ons vezels voor kleding, denk maar aan schapewol en zijde. Elk jaar worden aan het begin van de zomer de schapen geschoren. De geschoren vachten worden in de fabriek gesorteerd en gewassen. Niet alle wol van een schaap is even goed van kwaliteit.













 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een schapehaar is niet glad, zoals een mensenhaar. Er zitten schubben omheen. Daardoor kunnen er draden van gesponnen worden. Dat kan op een spinnewiel, maar het gebeurt vooral in de fabriek. Er zijn nog meer dieren die wol leveren, zoals geiten, lama's en kamelen. Het langharige angorakonijn wordt speciaal voor de wol gefokt. Zijde komt van de cocon van de zijderups. Die rupsen leven van de bladeren van de moerbeiboom. Deze bomen groeien vooral in China en Japan, maar ook in Zuid-Europa. Als de rups volgroeid is, gaat hij zich verpoppen. Hij wikkelt zich met een kilometerslange zijdedraad in een cocon. In die cocon verandert de rups in een vlinder. Maar zover komt het niet, want de cocons worden voor die tijd verzameld en de rupsen gedood. Daarna worden de draden van de cocons afgewikkeld en in elkaar gedraaid. Zijde is een mooie, goede en dure stof. Nylon , acryl en polyester zijn kunstvezels. In chemische fabrieken wordt van aardolie of hout een vloeistof gemaakt. Die spuit men door een soort douchekop. De straaltjes die eruit komen stollen tot lange draden. Deze synthetische draden kunnen er heel verschillend uitzien. Dat komt doordat men de draad in verschillende vormen kan spuiten. Sommige synthetische draden lijken precies op wol. Maar het is namaakwol.

 

 

 

 

 

 

 





1. Beantwoord de volgende vragen over de leestekst:

1. Waar vind je de meeste katoenplantages?

2. Waar wordt linnen van gemaakt?

3. Wat is roten?

4. Welke dieren leveren wol?

5. Waar groeit de moerbeiboom?
-------------




2. Volg de links in de leestekst en beantwoord de volgende vragen:

1. Hoe kan je een katoenplant kweken?

2.Wat is spinnen?

3. Hoe zwaar was de vacht van het Nieuw-Zeelandse schaap Shrek na zes jaar ronddolen?

4. Hoe komt de zijdevlinder uit de cocon?

5. Hoeveel beertjes worden er als knuffeldier aangeboden?
-------------