Les 15: Kleren maken de man
-------------

Kleren draag je niet alleen als bescherming. Je kunt anderen er ook iets mee vertellen. Op een begrafenis heb je niet je vrolijkste kleren aan. Je wilt laten zien dat je verdrietig bent. We dragen dus kleren voor verschillende doelen. Je hebt nette kleren, te gekke discokleren en vrolijke vakantiekleren. Voor al die soorten kleren zijn lappen stof nodig. Die lappen stof worden op twee manieren gemaakt: door draden te weven of te breien. Weven lijkt op vlechten : de draden kruisen elkaar. Breiwerk bestaat uit in elkaar grijpende lusjes. Lang geleden ontdekten de mensen dat ze met gespannen draden konden weven. Op een weefgetouw werden lange draden evenwijdig naast elkaar gespannen. Deze lange draden heten de kettingdraden of schering . Door bepaalde kettingdraden op te tillen ontstaat een opening tussen de wél en níet opgetilde kettingdraden. Die opening noemen we de sprong. Door de sprong worden de inslagdraden gevlochten. Daarna worden weer andere kettingdraden opgetild. Zo ontstaat het weefsel. Door gebruik te maken van verschillende gekleurde draden kunnen er patronen in de stof worden geweven. Moderne weefmachines werken nog op dezelfde manier. Vele machines worden maar door een paar mensen bediend.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij breien wordt steeds één draad met zichzelf gevlochten. Je kunt op verschillende manieren breien. Daardoor ontstaan er allerlei patronen. Veel mensen breien met de hand, maar het kan ook met een machine. Er worden ook veel stoffen in de fabriek gebreid, bijvoorbeeld T-shirts en joggingpakken. Deze stoffen noemen we tricot. Gebreide stoffen zijn soepeler en elastischer dan geweven stoffen. Ze zijn daarom prettiger in het dragen. Kleding moet niet alleen prettig zitten . Het moet ook geschikt zijn voor het doel . Een regenpak van wol is niet handig. Een wollen broek is wel warm, maar zó versleten. Daarom zijn spijkerbroeken gemaakt van katoen. Sporten in een nylon T-shirt is een ramp:je wordt drijfnat! Daarom worden er weefsels gemaakt van verschillende garens. Katoen heeft weer andere eigenschappen dan wol of nylon.













 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Veel draden worden voor het weven of breien geverfd. De garens komen in grote verftrommels. Daarna kunnen ze worden geweven of gebreid. Soms wordt een geweven of gebreide stof in zijn geheel in een verfbad gedaan. We noemen dat "verven in het stuk". Stoffen kunnen ook worden bedrukt. Vroeger deden de mensen dat met houten stempels. Nu doen machines het werk. In de middeleeuwen haalde men de kleurstoffen uitsluitend uit natuurlijke materialen. Zo leverde de meekrapplant een rode en de mede een blauwe kleurstof. Ook nu worden er nog wel meekrapplanten verbouwd. Er zijn nog meer natuurlijke materialen waarmee je wol kunt verven. Met uieschillen wordt de wol goudgeel en met paardebloemwortels paars. In de fabrieken worden tegenwoordig vooral chemische verfstoffen gebruikt. Er worden ook andere chemische middelen gebruikt om de stof kleur- en wasecht te maken.

 

 

 

 

 

 

 





1. Beantwoord de volgende vragen over de leestekst:

1. Hoe worden lappen stof gemaakt?

2. Wat zijn kettingdraden of schering?

3. Waarom is sporten in een nylon T-shirt een ramp?

4. Wat betekent "verven in het stuk"?

5. Wat voor kleurstof levert de mede?
-------------




2. Volg de links in de de leestekst en beantwoord de vragen:

1. Waar worden de poppen van gemaakt?

2. Waar werd de kleurstof van de meekrapplant tot het einde van de vorige eeuw voor gebruikt?

3. Waar wordt mede van gemaakt?
-------------