Les 23: Het licht in je ogen
-------------

Je oog lijkt op een fototoestel. Voorin zit een gaatje met een lens erin. Dat gaatje noemen we de pupil. Achterin zit het lichtgevoelige netvlies. Bij het kijken valt het licht door de ooglens op het netvlies. Dat licht wordt teruggekaatst van iets wat we zien. Dat iets, bijvoorbeeld een boom, verschijnt omgekeerd op het netvlies. Via zenuwen wordt het beeld doorgeseind naar de hersenen. Pas dan zien wij iets! Er mag niet te veel of te weinig licht naar binnen vallen. Bij te veel licht werkt de lens als een brandglas en beschadigt het netvlies. Bij te weinig licht wordt het beeld onderbelicht. In een fototoestel regel je de belichting met het diafragma. In je oog wordt dat automatisch geregeld met de pupil. Die wordt kleiner bij veel licht en groter bij minder licht. De pupil zit in het regenboogvlies of de iris. Die iris is bij iedereen gekleurd: bruin of blauw of grijs of groen. Ogen zijn heel belangrijk voor ons. Geen wonder dat het oog op allerlei manieren wordt beschermd. Het doorzichtige hoornvlies beschermt de ooglens. Onze oogleden zijn extra beschermluikjes. Als er iets op ons af komt, klappen ze bliksemsnel dicht. Soms komt er toch een stofje in ons oog. Dan begint de automatische ruitenwisser met ingebouwde sproeier te werken. Ons oog gaat tranen en spoelt het stofje weg. Deze automatische reacties heten reflexen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Je kunt veraf en dichtbij zien, maar niet allebei tegelijk. Houd je vinger maar voor je ogen en kijk naar het bord. Je vinger wordt wazig en het bord zie je scherp. Kijk nou naar je vinger; nu wordt het bord onscherp. Ons oog moet zich op veraf of dichtbij instellen. De lens van een fototoestel moet je ook steeds scherp stellen. Bij je oog gebeurt dat automatisch. Om dichtbij te zien moet de lens boller gemaakt worden. Om veraf te zien wordt de lens weer platter gemaakt. Dat doet ons oog met spiertjes. Sommige mensen zien dichtbij scherp, maar veraf vaag. Die mensen zijn bijziend. Hun ooglens kan niet voldoende plat worden. Geen nood, dan zet je gewoon een extra lensje voor: een bril of contactlenzen. Als de lenzen maar hol zijn, want holle lenzen verkleinen het beeld. En dat is nodig om veraf scherp te kunnen zien. Bij oudere mensen wordt het lensje in het oog wat stijver. Het kan minder gemakkelijk bol gemaakt worden. Die mensen kunnen dichtbij niet meer zo scherp zien. We noemen ze verziend. Ze zijn te helpen met brillen met vergrotende glazen.











 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onze twee ogen zien allebei iets verschillends. Houd je vinger maar eens vlak voor je neus. Met je ene oog zie je de linkerkant van je vinger en met je andere oog zie je de rechterkant. Kijk met je rechteroog naar een punt in de groep. Houd je vinger zo dat je dat punt niet meer ziet. Kijk dan met je andere oog. Je ziet het punt verspringen. Elk oog ziet het punt ergens anders. Toch zien we het niet dubbel. Onze hersenen maken er een beeld van. Ze berekenen ook de onderlinge afstand ervan. Daardoor kunnen we diepte zien. Diepte is de afstand tussen jou en een voorwerp. Veel dingen die we zien, herkennen we. We hebben het al eens eerder gezien. Soms herkennen wij het al terwijl we er slechts enkele stukjes van zien. We denken de rest van het voorwerp er gewoon bij. Onze hersenen vullen de waarneming dus aan. Ze kunnen de waarneming zelfs verbeteren. Onze hersenen raken ook wel eens in de war. Dan zien we iets wat eigenlijk niet klopt. Dat noemen we gezichtsbedrog. Op ons netvlies zitten kegelvormige en staafvormige zintuigjes. Met de kegeltjes kunnen we kleur zien en met de staafjes alleen zwart-wit. De kegeltjes zitten dicht op elkaar, recht achter de pupil. De staafjes zitten gelijkmatig verspreid over het hele netvlies. Kegeltjes hebben vrij veel licht nodig om kleur te kunnen opmerken. Staafjes werken al bij veel minder licht. Daarom kun je in de schemering minder kleuren zien.

 

 

 

 

 

 

 





1. Beantwoord de volgende vragen over de leestekst:

1. Wanneer werkt de lens als een brandglas en beschadigt het netvlies?

2. Waar zit de pupil?

3. Wat zijn reflexen?

4. Wat is bijziendheid?

5. Wat is gezichtsbedrog?
-------------




2. Volg de links en beantwoord de volgende vragen:

1. Wanneer is een oog bijziend?

2. Waar komt het woord camera vandaan?

3. Waar zit in het menselijk lichaam een lens?

4. Hoe blijft je bril in perfecte conditie?

5. Doe de testjes.
-------------