|
Les 26: Nederland in de maak |
||||
| Als je naar buiten kijkt, zie je een klein stukje van je omgeving. Eigenlijk zie je maar een deel van het landschap
waarin je woont. Door een ander raam zie je een ander deel van hetzelfde landschap. Je ziet andere dingen zoals flats, een park of een snelweg.
Die verschillende dingen heten landschapselementen.
Nederland is klein, maar heel afwisselend. Het bestaat uit heel wat verschillende landschappen. Je vindt er uitgestrekte polders met weilanden en akkers. Er zijn ook grote gebieden met bos. Je ziet kaarsrechte
kanalen, maar ook kronkelige beekjes. Vlakke gebieden worden afgewisseld met heuvelachtig terrein. Denk maar aan de duinen of aan Zuid-Limburg. Soms zie je alleen huizen, kantoren, fabrieken en autosnelwegen.
Dan ben je in een stadslandschap terecht gekomen.
Meestal hebben de mensen die landschappen gemaakt. Polders zijn aangelegd en weilanden zijn ingezaaid. Zelfs onze bossen zijn aangeplant. Echte wilde bossen zijn er niet meer. Rivieren worden gekanaliseerd en
kronkelige beekjes recht getrokken. Zelfs de duinvorming wordt door mensen geregeld. Overal is de invloed van de mens merkbaar.
Echte natuurlandschappen kom je hier bijna niet meer tegen. Het zijn hoofdzakelijk cultuurlandschappen.
Maar hoe zijn die verschillen nu ontstaan? De belangrijkste oorzaak zit in de grond. Polders vind je niet op zand, en bossen houden niet van zeeklei. In het midden en oosten liggen grote gebieden met zand.
Daar vind je heel andere landschappen dan in het noorden. In het noorden heeft de Waddenzee dikke lagen klei neergelegd.
En in het westen bestaat de grond uit dikke lagen veen.
|
Het veengebied in Nederland bestond vroeger uit veenmoerassen. Hier en daar stroomde een riviertje. Er woonden geen mensen en wegen waren er niet.
Het gebied was slechts per boot toegankelijk. Maar de mensen hadden bouwland nodig. Daarom gingen ze het moeras ontginnen.
Langs de riviertjes bouwden ze hun boerderijen. Zo ontstonden er langgerekte dorpen. Er werden sloten gegraven om het water uit het moeras te krijgen. Achter de boerderijen kwamen smalle strookjes grond. Het veen lag hoger dan het riviertje,
zodat het water gemakkelijk wegstroomde. Maar het veen zakte in en kwam lager te liggen dan het riviertje. Daardoor liep het water niet meer goed weg. De grond werd natter en was niet meer geschikt voor landbouw. Daarom zie je er nu nog
alleen weilanden.
Het kleigebied in het noorden ziet er anders uit. Vroeger stroomde hier de zee door geulen binnen. Dat kun je nu nog zien aan de kronkelige wegen. De zee bracht klei, maar in de geulen werd zand afgezet. Langs deze geulen werden wegen
aangelegd. Het zand was daar geschikter voor dan de klei. Sporen in het landschap vertellen ons het verhaal van vroeger.
Het noorden is ook het land van de terpen of wierden. Deze bulten in het landschap zijn gemaakt toen er nog geen dijken waren. Het waren vluchtplaatsen voor de opkomende zee.
Op de glooiende zandgronden vinden we bossen met daartussen kleine akkertjes en weilanden. Hier en daar zijn nog kleine stukjes heideveld te vinden. Langs de akkers zie je nog de eeuwenoude houtwallen. Het zijn lage dijkjes, begroeid met bomen
en doornige struiken. Ze zijn rond de akkers aangelegd als een soort hek. Nu doen we dat met prikkeldraad. Het zandgebied is veel beslotener dan het zeekleigebied.
|
Moerassen werden drooggelegd en meren ingepolderd. Op zandverstuivingen
werden bossen geplant. Heidevelden werden ontgonnen tot bouwland. Eeuwenlang hebben mensen het landschap gebruikt en veranderd. Daardoor zijn al deze afwisselende
landschappen ontstaan. Aan het landschap kun je ook zien hoe de mens zijn omgeving gebruikt.
Een klein deel van Nederland wordt gebruikt voor steden, industrie en wegen. Het grootste deel is platteland met weilanden, akkers en bossen. We noemen het de groene ruimte.
Vroeger was dit het gebied van boeren, tuinders en bosbouwers. Maar ze krijgen steeds meer concurrenten.
Dorpjes groeien uit tot grote steden. Overal raast het snelverkeer. Industriegebieden breiden zich als een olievlek uit.
Al deze dingen eisen hun deel van de groene ruimte. Er worden bij de grote steden nieuwe woonwijken aangelegd, de zgn VINEX-locaties. De HSL (Hoge Snelheids Lijn) wordt aangelegd waardoor
reizigers binnen een 90 minuten met de trein kunnen rijden van Parijs naar Schiphol. Ook de Betuwelijn eist veel ruimte op.
Gelukkig zijn er nu plannen om de groene ruimte beter in te richten maar wij moeten oppassen dat het Groene Hart van Nederland niet wordt volgebouwd.
In deze landinrichting wordt rekening gehouden met de landbouw, de natuur en de recreatie.
Vroeger hadden boeren overal verspreid kleine lapjes grond. Daarom werden de stukken land tussen de boeren geruild. Iedere boer kreeg toen één, aaneengesloten stuk grond.
Dat heet ruilverkaveling. Daarbij worden kronkelige watertjes en wegen vaak rechtgetrokken, en het oorspronkelijk landschap verandert.
Er worden nieuwe recreatiegebieden met parkeerplaatsen en fietspaden aangelegd. Soms onstaan er ook nieuwe natuurgebieden, zoals de Oostvaardersplassen. Dat is gebeurd bij het droogvallen
van de Flevopolders. Daar komen nu ontzettend veel vogels, vooral tijdens de vogeltrek.
|
||
1. Beantwoord de volgende vragen over de leestekst:
1. Wat is een natuurlandschap?
2. Wat is een cultuurlandschap?
3. Noem enkele grondsoorten.
4. Wat is een terp of een wierd?
5. Wat is de groene ruimte?
-------------
2. Volg de links en beantwoord de volgende vragen:
1. In hoeveel natuurgebieden geeft Het Zuid-Hollands Landschap plant, dier en recreant rust en ruimte?
2. Hoe duur was de aanleg van de Afsluitdijk?
3. Tussen welke 2 steden liggen de Oostvaardersplassen?
4. Wat betekent HSL?
5. Waar herken je de woonwijk Bouwlusthof in Erasmus Veld aan?
-------------