Les 28: Wonen in een buurt
-------------

Elke wijk of buurt is weer anders. Er zijn oude wijken in de binnenstad en moderne nieuwbouwwijken. Vaak zie je er lage eengezinswoningen en hoge flats. Iedere wijk heeft zo zijn eigen sfeer. In de ene woon je prettiger dan in de andere. Dat hangt van veel dingen af. Staan er oude, vervallen huizen of mooie en nieuwe? Aan de vorm van de huizen kun je vaak zien hoe oud ze zijn. Iedere periode kent zijn eigen bouwstijl. In een huis moet je plezierig kunnen wonen en je thuis voelen. Ook de omgeving van de huizen is belangrijk. In sommige wijken zijn drukke, gevaarlijke wegen. En toch moet je veilig van huis naar school kunnen. Vaak staan de straten vol met geparkeerde auto's. Soms worden er drempels in de weg aangelegd. Daardoor kunnen auto's er maar langzaam rijden. Zo'n wijk noemen we een woonerf. Zijn er buurtwinkels of is er een winkelcentrum in de buurt? Waar zou je anders terecht moeten voor je dagelijkse boodschappen? Ook een postkantoor, een bibliotheek en scholen zijn belangrijk. Rijden er bussen of trams door de wijk? Tuinen, plantsoenen en parken maken een buurt aantrekkelijk. En met voortuintjes lijkt een straat veel gezelliger. In een straat horen in ieder geval bomen te staan. Ze dienen niet alleen als straatversiering. Met hun bladeren vangen ze ook veel stof op. Het zijn dus goede "stofzuigers". Omdat ze zuurstof uitademen, worden ze de "longen van de stad" genoemd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In een wijk moet ook genoeg speelruimte zijn. Er wordt gezorgd voor trapveldjes of een basketbalveld. Voor de kleintjes is er soms een zandbak of een klimrek. Een sporthal of speeltuin horen er ook bij. Al deze voorzieningen maken en wijk leefbaar. Net als een huis moet een wijk netjes onderhouden worden. De straten worden regelmatig schoongemaakt door de reinigingsdienst. Die haalt met grote vuilniswagens het afval op. De plantsoenendienst onderhoudt het groen in de wijk. Ze maaien het gras en halen onkruid uit de perkjes. Om de paar jaar worden de bomen en de struiken gesnoeid. Kapotte dingen moeten worden gemaakt of vervangen. Anders wordt zelfs de mooiste buurt een zootje. Het zand in de zandbak moet worden ververst. Er worden verkeersborden geplaatst en de zebrapaden worden opnieuw geschilderd. Soms wordt het asfalt van de straten vernieuwd. Er is ook een ondergronds net van kabels en leidingen. Voor het onderhoud daarvan moeten soms straten worden opgebroken. Er zijn heel wat karweitjes op te knappen in een wijk. Gelukkig helpen veel mensen mee door hun eigen stukje straat schoon en netjes te houden.











 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Niet altijd zijn de buurtbewoners even netjes. Soms gooien ze hun rommel zo maar op straat. Die rondslingerende troep noemen we zwerfvuil. Ook ligt er vaak hondepoep op de stoep. Soms worden ruiten van bushokjes of telefooncellen ingegooid. En muren, verkeersborden en brievenbussen worden met spuitbussen bewerkt. Dat opzettelijk vernielen en bekladden noemen we vandalisme. Sommige buurten zijn vies en rommelig. Daar wordt ook veel vernield en zie je veel graffiti op de muren. Het lijkt wel of zo'n buurt vandalisme aantrekt. De buurtbewoners raken eraan gewend en doen er weinig tegen. Daarom probeert men vernielingen zo snel mogelijk te repareren. Een schone wijk wil je graag netjes houden. We moeten er immers met z'n allen wonen?

 

 

 

 

 

 

 





1. Beantwoord de volgende vragen over de leestekst:

1. Waarom worden bomen de "longen van de stad" genoemd?

2. Wat kent iedere periode?

3. Wat is een woonerf?

4. Welke dingen maken een wijk aantrekkelijk?

5. Wat is zwerfvuil?
-------------




2. Volg de links en beantwoord de volgende vragen:

1. De bouwstijl van deze kerk is Gotisch. Welk nummer heeft de waterspuwer?

2. Hoeveel liter gaat er in de platte container?

3. Hoe heette de vroegere directeur van de Gemeentelijke Plantsoenendienst?

4. Een deel van het zwerfvuil is biologisch afbreekbaar. Wat betekent dat?

5. Waar komt het woord vandalisme vandaan?
-------------