|
Les 29: Langs de kust |
||||
| Nederland ligt voor een groot deel lager dan de zee. Dat lage gedeelte zou bij vloed dus onderstromen.
Gelukkig beschermen de duinen ons. Op plekken met een smalle duinenrij heeft men hoofden in zee gebouwd. Die breken de kracht van de golven. Waar duinen helemaal ontbreken, zijn dijken gebouwd.
Voor de duinen ligt een breed zandstrand. Aan de zeekant ligt het natte strand, dat bij eb droogvalt. Dan kun je er lekker op wandelen, want het is hard.
In het natte strand zie je vaak ribbels. Die zijn ontstaan door golfjes in ondiepe plassen. Bij eb zie je hier soms kleine strandmeertjes. We noemen ze zwinnen. Hierin leven allerlei garnalen
, krabben en jonge visjes. Soms loopt er van zo'n zwin een diepe geul naar de zee. Dergelijke geulen heten muien.
Wieren zijn planten zonder wortels en bloemen. Sommige lijken wel van plastic. Je ziet er ook plastic flessen, stukken wrakhout en touw.
Wat een schip op zee verliest, spoelt een keer aan. Vroeger vergingen er veel schepen. Strandjutters verzamelden toen de aangespoelde wrakstukken.
Scholeksters en meeuwen scharrelen in de vloedlijn op zoek naar wat eetbaars. Langs de zee rennen
bonte strandlopertjes heen en weer. Ze pikken telkens driftig tussen het aanspoelsel. Bij oostenwind spoelen er veel kwallen aan.
De grote vlokken schuim op het strand zijn eigenlijk dode algen.
|
Het strand ligt bezaaid met lege schelpen. Het zijn huisjes van weekdieren.
Er zijn twee soorten schelpen: horentjes en klepschelpen. Een horentje is eigenlijk een opgerold kokertje met een spits uiteinde en een wijde mond. Klepschelpen
bestaan uit twee helften, met een scharnier ertussen.
De gebogen vorm biedt een goede bescherming tegen de golfslag. Als een schelpdier groeit, wordt zijn huisje groter. Dat zie je aan de groeilijnen aan de buitenkant.
Soms zitten er zeepokken op een schelp. Dat zijn witte kalkhuisjes waarin een diertje geleefd heeft. Met zijn voet graaft de kokkel zich in de zeebodem. Uit de schelp steekt een soort
slurfje met twee gaatjes erin. Hiermee zuigt de kokkel voedsel op en spuugt hij afval uit.
Tegen de duinenrij ligt het mulle zandstrand. Het wordt alleen bij hevige storm overstroomd. De felle zon en de zoute wind
drogen het zand snel uit. Daarom kunnen hier maar heel weinig planten groeien. Zeeraket lijkt wel wat op een vetplantje.
Daarom kan die plant het in deze barre woestijn wel uithouden. Ook het biestarwegras is met zijn opgerolde blaadjes goed beschermd
tegen uitdroging.
|
De wind waait het zand op en legt het ergens anders weer neer, vaak achter een stuk hout. Daar is
minder wind. Als de wind draait, waait het nieuwe duintje weer weg. Planten kunnen het zand met hun wortels vasthouden. Biestarwegras en zeeraket worden daarom zandbinders genoemd.
Zo begint de duinvorming.
Iets hogerop in het duin groeit helmgras. Als de wind het helmgras onderstuift met zand, groeit het er gewoon weer bovenuit.
Beschut tussen de helmplanten groeien ook andere planten. Mossen en korstmossen kunnen goed tegen de droogte. Daarom groeien ze op de droge zuidhellingen. Ze helpen mee om het zand vast te
houden. Op de vochtige noordhellingen groeien veel meer planten, vooral struiken.
Je mag niet zomaar door de duinen lopen. Als je het plantendek beschadigt, kan de wind er een kuil in blazen.
Duinzand bevat veel schelpdeeltjes, dus ook kalk. Kalk lost op in water. Met de regen spoelt het verder de grond in. Daarom zijn jonge duinen aan de zeekant kalkrijk en oude binnenduinen
kalkarm. Het duinroosje is een echte kalkplant. Die zie je niet in de binnenduinen.
Op al die verschillende planten leven ook insecten. Daar komen weer insectenetende vogeltjes op af. En met zoveel besdragende struiken komen ook de zaadeters aan hun trekken.
Er leven ook zoogdieren in de duinen, zoals konijnen. Door hun gegraaf vormen ze een bedreiging voor de duinen. Op dit moment wordt de konijnenpopulatie bedreigd door de ziekte VHS. Daardoor krijgen hun vijanden minder te eten en wordt de voedselkringloop bedreigd. Vijanden van het konijn: vos, hermelijn en wezel. Soms gaan er ook massa's konijnen
dood aan myxomatose een besmettelijke konijneziekte.
|
||
1. Beantwoord de volgende vragen over de leestekst:
1. Wat is een mui?
2. Wat zijn de grote vlokken schuim op het strand?
3.Waarom heeft een schelpdier een gebogen vorm?
4.Waarom kan zeeraket het goed uithouden?
5. Wat is myxomatose?
-------------
2. Volg de links en beantwoord de volgende vragen:
1. Het zand van de duinen wordt na een storm weggeslagen. Wat is betekent het woord ‘suppletie’?
2. Wat eet de Noordzeekrab?
3. Door welke bloedzuigende insecten wordt myxomatose verspreid?
4. Hoe halen zeepokken hun voedseldeeltjes (meestal dierlijk plankton) uit het zeewater?
5. Waar komt het duinroosje voor en hoe hoog kan het duinroosje worden?
-------------